aanwijspen    Mijn huis, krom getrokken.


Gebogen en wat krom
kom ik nog met regelmaat terug.
Mijn bewustzijn ontmoet het verval,
verzakkingen in mijn geval.

Ook het koper, onze
levensader was weggenomen.
Ik heb besloten niets meer te
verzetten om de geest van ons
verleden niet te verleiden.

Mijn zijn wil ik behouden, de trekker
staat te puffen om het laatste schijnsel te leveren.
Schever wordt de grond onder mijn voeten,
het fundament verdwijnt in de Wetering.

Hier zijn de jongens groot gebracht
riet gesneden tot in de nacht.
later hebben zij hun hoeksteen gevonden,
vertrokken, er geen doekjes om gewonden.

Kan niet stil blijven staan, moet wat om handen.
Ga nog even mijn land beschouwen.
Zal tot laatst blijven vechten
kijkend naar het voortbestaan.

Tot het einder aan het water
daar stop ik dan, geen puf of herstelplan.
Niet laten wegebben,
een herinnering om lief te hebben.



© Hans van de Camp