aanwijspen    Afscheid van een vader.


Moe gestreden door het niet kunnen delen,
van ingesleten rituelen.
Bijgestaan door zijn naasten
schuifelend, zonder zich te haasten.
Zijn liefde, wijsheid, levenslust
werden tergend langzaam uitgeblust.

Deze oude wijze man zij eens,
als er al een jongste dag is
ben ik van de maan en de zon.
Het hier is als een drieluik
overal die brandende bramenstruik,
lauwertak en schakels van verbondenheid.

Bij de hand genomen door hen die zijn voorgegaan,
voelt de aanwezigheid van het onbekende.
Verhuld in mistflarden vervolgd hij schoorvoetend zijn weg,
dan zal hij voor de poort en Petrus staan.
Afwachtend aanzien . . .
tot hij ontboden wordt God in al zijn
heerlijkheid te aanschouwen.

Nu, uitgehouwen in het koude steen.
Ziet de uitgebeitelde namen, verstrooid over het graniet
Die oude man hoort reeds het geween
en de vergetelheid die zich aanbied.



© Hans van de Camp